Van de nacht

Wachten
Prelude
Morgen altijd verder
........nacht..........
Goudhaantje (regulus, regulus)
Refugié, refuseren
Een reisbrief door de tijd
Thuisland
Een lichtende nachtwolk
Stadshoeken
Stairway to heaven (voor johan)


Wachten....

Waar de droom een dageraad ontmoet
slaapt een hand prikkelend
ontwaak in onrust
voel onraad
kalmeer

Beweeg en luister naar de seinen
die opzien baarden
ben nog hier
of al ginder
uitgerust

Over en uit nu zijn ontloken dromen
vervlogen in ochtendgloren
keer de zijde
ontevreden
ongerust

Wanneer volgt een eeuwige nacht
gevuld met eindeloze dromen
of dromeloze slaap
zinnenprikkelend
kalm nu

Pijlen
die uitgaan
opdat zij dromen raken
stuiten op verbeelding van woorden
ketsen of raken de ziel tot op het bot


Prelude

Ik slenter dapper door de dagen
vaak gekweld door verleden tijd
waar vleugels mijn vreugd bepaalden
vergaarde niets zonder vergankelijkheid

mijn zwenkend dalen, aandacht vragend
om en om jouw stalen huid
dat afgleed, stuurloos aangeslagen
ontnam mij adem, hartpijn schreeuwde luid

ik wist dat je niets zou merken
daarvoor kwam het eind te vlug
eenzaam dook ik over de restanten
en keerde op mijn route terug

ik bereed de droomweg door de wolken
en gierde tollend door de wind
op de aarde dreunden donderslagen
door de snelheid van mijn vlucht

wat kan mij nu nog verder dragen
aanzien, voortouw, geld of macht
zou graag mijn post verlaten
om te komen waar jij wacht


Morgen, altijd verder

betreed de schemerwereld
veins een bloemtapijt
ontdek stralen door flarden mist

vochtige koude
dempt al-omvattend,
ruis van nabije wegen

plots staat in de morgengloed te lezen
gekerft in een streep schitterend licht

stilte

bezie met ontzag het bericht
staar wat onwerkelijk
over de dicht beboomde vlakte
bedauwd van nachtelijke regen
slaat gras het pad weer toe

kies andere wegen


Nacht, mijn oude vriend
weinig geliefd, vaak verstoten
ik weet
je bent er langer dan 't licht
in deze tijd zo aandoenlijk aanbeden

Nacht, lieve gezel
breng stilte en diepe slaap
ik weet
je strooit zand bij 'n kind
en laat ze in waan bestaan

Nacht, eeuwig medicijn
verkoel die koorts en pijn
ik weet
je hebt toegang tot dit zijn
dat rustloos ligt te draaien

Nacht, beste kameraad
met je tijdelijke sterren
ik weet
op een dag loop ik met je op
we hebben elkaar al eens gevonden

Nacht, m'n oude vriend
ik baad mij in je donkerte
ik weet
morgen, ja.... dan is het licht
en is weer nieuwe tijd begonnen


Goudhaantje (regulus, regulus)

Het grauw heeft de zon verstuurt
in de naaktheid van november
het hard-metalen scherm
dat een veste ommuurt

is mijn rustpunt

Geen traan rolt langs mijn wangen
tot het donker stond ik aan de deur
hoewel van boven vrij
ontbrak het mij aan kracht:
ik was gevangen

Een gezicht zag ik in de ruit
dat niet bij mij kòn horen
De beeldenstorm trok voorbij
ik op mijn Siberische vlucht
één kant uit, immer dat verleden

Mijn hart draait, ik wil wel keren
Hoezo: ik vrij,
vliegen tussen nevels en melkwegen
Uit de koude naar de zon
ik stierf in mijn eigen kleren


Refugié, refuseren

In een veer tussen landen
ontschepen voor vergaan
monsterboek uit vuile handen
deur van vrijheid horen slaan

in een bed woelig wachten
op legaal zijn en bestaan
de hoop verdwijnt in nachten
verlicht door volle maan

in een wenk zichtbaar krijgen
ontstolen wordt de lucht
ontluistert halten rijgen
aan de ketting van de vlucht

op dat moment even denken
dat dit alles keren zal
dit lijf het leven schenken
nog even voor zijn val

in een cel gelijken spreken
vergeten in hun strijd
wissel lans in om te breken
laat mij zijn in deze tijd


Een reisbrief door de tijd

Zag bergen en dalen
gouden vlokken in een ijspaleis
dik beveerde dromen
van wolken wit

Zag nacht en nevel
zilver'n gloed op maanlandschap
in-duistere dagen
van kolenzwart

Zag spijt en smart
diep doorleeft en gemaskeerd
opdat ik niet zou zien
't verwond mijn rode hart

waar is mijn wapen
waar is mijn strijd

kom.... niets loos
be-zing met lof een zotheid
de kabbala is slechts
mijn blokkendoos


Thuisland

De weidsheid van de veenvlakte
onderbroken met wuivende kragen riet
voert mij terug naar eerder dagen
in het idee dat ik wat achter liet

Maar waarom een tijd zo prijzen
met geluk en hoop zo in 't verschiet
dat vluchten voor een werkelijkheid
(als de ochtendzon nog moet rijzen)
de weegschaal op verloren strijd

De oever, het kabbelende water
plastic flessen, piepschuim, vage zaken
klotsen, net als mijn gedachten
bij elk passerend schip
klamp mij vast aan dikke weke halmen
en roep dan (een luchtkolom van onderuit)
'waarom aan de styx zo talmen'
is er dan geen uitzicht meer

En ik zie de huizen, volkstuinen en de haven
de woonboten, de heksloot en de brug
uit wrakhout bouw ik om een omheining
en begeef mij naar de schuilplaats terug
dag buur, alles goed, ook met je rozen
losgeslagen van de grauwe muur
die ik zie door kille regenvlagen
mijn snerpend hart blijft guur


Lichtende nachtwolk

een lichtende nachtwolk
laag maar ver, o zo ver,
snijdt met zwart de omtrek uit
van de winterboom
achter een front van dunne sparren

het dor geritstel van gevallen blad
ontdaan van kleur, met zwakke geur
geleidt mijn gang, en laat een spoor

hier staat de boom
die werd getroffen
de kogels in zijn bast
ontdoe met stompe nagel
de huid van loden hagel
enkelen onwrikbaar vast

nu pakt de nacht de schemering


Stadshoeken

Siepelend water maakt graniet morsig
zo zag het eerder in het geheugen
het werd erbarmelijk gehakt en versneden.
'Consumenten onderzoek' benauwde weelde
in een stinkend grijze camion container
smakeloze smaaktest zonder chinezen
niet te verteren

Slenteren in Blokkerdoos van
geurkaars weeïg weemoed heimwee
blikken chroom en plastic kuiperijen.
'Enquete' formulieren horlepiep muzak pijpt binnen
koperen muntenbak met schelle klaterklap
schuivel langs puien, niets gezien.

Xenosfobie wordt nu sterker
(leidt aan Blokker dejà-vu).
Australian met calculatie calorieën dikke cijfers.
'Proefpakket' ontvangen, bedoeld om weg te gooien
de goten liggen vol, verstoppen de riolen
Bamboe schermen om ruimte te verhullen
sluiers, jaloerse jaloezieën kunnen dicht
uit vreemde culturen maar toch vertrouwd.

Winkel wagens weg ter elfder ure,
de toegang wordt gesloten.
Plastic tassen wervelen op vallende wind door hoekige gebouwen
Koude, verwarmt door vlagen verkeerde vette geuren.
Watertanden, klappertanden van armoede en het smaakgebrek
eindigt de bestedingsqueeste in ontzet

Winkel-etos blijkt leeg, een omhulsel (dejà-vu geurkaars weemoedig)
als schoenendoos van vele magazijnen gerangschikt langs de gang
fantasieloos een kijkdoos zonder enige illusie uit zijn proportie.
Hel verlicht, passeer droeve vuurvaste bakken opgestapeld met gedaan.
Ontmanteld toogt de ziel zich voort

De dorpspomp is gesloten.
Anver is ver, de markt verkoelt.
Er valt niets meer te kopen.